Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lokkende tonen de stilte, en noodig haar tegelijk uit, om mijn genoegelijke stemming te deelen.

Een van mijn lakeien, die aanklopt, stoort het concert. Mijn schermmeester dient hij aan, en meldt me, dat hij hem in de wapenzaal heeft gelaten. De begroeting, het kruisen der degens, de nieuwste der stooten, die me geleerd wordt, en een eerlijk verdiend zweet, dat ik me van het voorhoofd mag wisschen.

Den middag gebruik ik, om mijn correspondentie af te wikkelen.

Ik schrijf aan mijn vrienden, die met mij samen dat kaartspel van kussen en goudstukken hebben gespeeld. Ik maak grappen over het lied van den bultenaar, en spreek af voor een volgende bijeenkomst.

Een modiste op het Kloveniersplein bestel ik twaalf paar roodzijden kousen, met het naschrift, dat het bedrag er van aan de brengster persoonlijk voldaan wordt, de brengster, van wie de voetjes zoo klein zijn, dat één handgreep ze samen omsluit.

Verder tracht ik nog eenige ongeduldige schuldeischers te kalmeeren, door ze op mijn aanstaande huwehjk te wijzen, en de schuld van mijn talmen op mijn ziekzijn te leggen.

Plotseling brengt mij dit op de gedachte, dat ik dit zelfde ziekzijn ook wel als schild tegenover de misdadige haast van een vader kon bezigen. In elk geval kan ik mij er achter verscholen houden, tot ik een

44

Sluiten