Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„De oogst is laat van het jaar," had Valentijn mij uitgelegd, terwijl hij in een breed gebaar over de akkers had gewezen. Wel stonden op sommige velden de aren al in schooven gebonden, maar op andere wuifde het koren nog goud tot aan den horizont. Ik weet niet wat mij bezielde, maar ook van die legers van halmen scheen het mij toe, dat zij zich opmaakten met fonkelende wapenen en wapperende vaandels, de flanken der heuvels beklimmend, de dalen vervullend, als een kruisheir, dat op weg is naar Jeruzalem.

Ik liep voor de eerste maal buiten, met den grond onder de schoenzolen, en misschien wel was het daarom, dat ik tot het stof toe, dat wij op deden dwarrelen, niets kon aanzien, zonder het doorglansd te vinden van den oogenschijn van mijn meester.

Maar nog tot iets anders leidde de ongewoonheid van mijn wandelaarschap en het stof van de wegen, namelijk tot een brandenden wensch om te rusten.

„Langzamerhand wordt het tijd voor het eten," maande Valentijn.

Tot tent werd een vlierstruik gekozen tegenover het sneeuwbed van een boekweitveld met het gonzen van bijen boven zijn bloemen. De speelman knoopte zijn ransel los, haalde er een donkerbruin brood uit, dat hij in sneden verdeelde, en nadat hij het beboterd en met kaas belegd had, reikte hij mij wat me was toegedacht over.

Ik en mijn Speelman

63

Sluiten