Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Weiger dit niet, monseigneur, het is het zout van het welkom in dit, mijn gebied hier."

En nooit werd er door een rijkaard met meer trots op zijn paleiszalen gewezen, dan door dien zwerveling op de zonnige akkers.

Wij aten, en ik sloot de oogen van behagelijkheid.

Valentijn stofte de kruimels van zijn nieuwe wambuis af. Wij rezen op uit de dommelige schaduw en vervolgden den tocht.

Loom was het, en stil over de velden. Wij voelden geen lust om te praten. Wij zouden een droom hebben verstoord. Heel in de verte meende ik den hoefslag van paarden over een steenachtigen weg te hooren galoppeeren. Zou ik vervolgd worden? En ik dacht aan de spijt en den toorn van mijnheer de Pomponne. Toch was het mijn plan in het geheel niet geweest om te vluchten; maar wat gelden voornemens voor wie den speelman tegenkomt? De spijt en de toorn van mijnheer de Pomponne, de gebelgdheid van mevrouw de Soubise, de woede van den moor, die mij had uitgedaagd en de verbolgenheid van mijn vader, al die verbeten gevoelens, alleen maar omdat iemand het blauw tusschen de wolken boven de balken van zijn zoldering verkozen had, omdat een bruin brood, onder het loover gebroken, boven gebak en wildbraad was gesteld, en een dwaaltocht, waar de beenen bij gebruikt moesten

54

Sluiten