Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Vader bleek een waard te wezen, die meer had van een procureur van den koning, dan van den gezellig gebuikte, die gewoonlijk een herberg bedient.

„Nu moet je van mijn zout proeven, Valentijn," zei ik, „en het zal goed wezen: koolsoep, hazenpeper, als het zijn kan, of kippenpastei, met een wijntje van Avenay of Sillery begoten."

De procureur van den koning maakte een buiging.

Toen hij gegaan was, nam ik mijn beurs uit een zilver omlooverden zijzak, en stortte zijn inhoud over de tafel uit. Vijf en twintig gouden Lodewijken telde ik.

„Reisgeld voor maanden," verzekerde Valentijn, „te meer omdat het alleen maar voor één hoeft te dienen. Dit hier is niïjn buidel," sprak hij, terwijl hij tegen de rugzij van zijn muziekinstrument sloeg, „en vanavond begin ik er al dadelijk mee, om er geld uit te kloppen."

Juist schreed de waard aan achter een dampende terrien.

„Jacobus,'' riep de speelman hem toe, „wat vindt je er van, als er zoo aanstonds gedanst wordt?"

Het kind, dat naast Valentijn op den grond zat gehurkt, als een page aan de voeten zijns konings, sprong in de hoogte, en stak met een juichkreet de hand op.

67

Sluiten