Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ACHTTIENDE HOOFDSTUK

Bericht van een plechtige rede, waarop een hond het antwoord geeft.

W^m-, wat een ezel," zuchtte Valentijn, terwijl een leeuwerik boven ons opsteeg, en aan onze voeten de vlakte wuivend tintelde van rossig goud.

wat een ezel, die kerel, om, als je onder de bladeren hof houdt, je in de plunje van de komedie des levens te steken; hoewel trouwens hij, die humeurig over het verhes van zijn zotspak loopt te treuren, evengoed een langoor is. Dit wordt niet gezegd, om je te beleedigen, mijn jongen."

Inderdaad voelde die onverwachte gemeenzaamheid aan, of ik een kaakslag had gekregen. Maar toen ik, bij het werktuigelijk naar mijn degen grijpen, het stuk gescheurde ledep van het kaduke gevest had betast, begon ik te lachen.

,,Ja, met je kleederen ben je den man kwijt," voegde Valentijn eraan toe, „ten minste je staat en je titel. Maar behalve dat nog, wat zouden de steekneuzen en. speurhonden er wel van moeten denken, als ik den simpelen burger, waarin je nu bent herschapen, met buigingen bemonseigneuren ging? Alleen dit wil ik nog opmerken, dat je muisgrauwe lijfrok prachtig bij

86

Sluiten