Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

NEGENTIENDE HOOFDSTUK

Hoe een al te haastig maal en een al te geurige peluw ons het spoor bijster doen worden.

„Vanavond zullen we weer bal moeten geven," zeide Valentijn, terwijl in de verte de eerste schaapskooien van een dorpje zichtbaar werden, „een dans, begeleid door een duo, wat het ook makkelijk zal maken, om zonder te blozen de winst te verdeelen. Klaarblijkelijk worden wij er al verwacht."

En hierbij wees hij op een langen, mageren man met den neus van een havik, die midden op den weg onder zijn gewelfde hand naar ons uit stond te turen.

Werkelijk stapte de boer naar ons toe, en begon ermee, nadat hij ons gegroet had, om ons uit te vragen. Hadden wij ergens niet een edelman gezien in een mosgroenen rok welke met zilver geborduurd was? Daar in het dorp had iemand zijn intrek genomen, die een aardig sommetje had uitgeloofd voor een bericht.

„Ja," antwoordde Valentijn, terwijl hij met den duim over den schouder wees, „in het bosch daar, waar we vandaan komen, dwaalt er zulk een snoeshaan rond."

91

Sluiten