Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

EEN-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK

Over een gevecht met demonen.

„We moeten hier weggaan, maar ik kan het niet," had Valentijn gezegd, „ik zou geen stuk, van wat ze ons voor willen zetten, aan mogen raken, maar ik dóe het. Een handdruk en een heilwensen voor wie verklaren kan, wat dat beteekenen moet."

En zoo zitten wij dan nu aan den maaltijd voor een schotel vol dampende kluiven, met tegenover ons aan de tafel, tusschen den grijsaard, die niet opziet van zijn nap, en het meisje dat ons driest opneemt terwijl ze haar buurman iets influistert, de boeren.

Ze lijken gebroeders, want het donkere haar van den vader is door den ouderdom niet verzacht met zijn zilver; bij allen wijkt het voorhoofd laag terug en zijn de borstelige wenkbrauwen ineengegroeid boven den neuswortel. Eigenhjk doen ze meer aan een redelooze kracht van de natuur denken dan aan menschen, aan een rotsblok, dat voortrolt en den reiziger verpletteren zal, of zichzelf in een afgrond te gruizel zal storten.

Er heerscht een luidruchtige vroolijkheid rond den disch. De gastheer begint Valentijn als „mijn zoon"

100

Sluiten