Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TWEE-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK

Een buiging voor den koning, en ons afscheid van Tiberius.

Het frissche, koele groen en de dauw, welke beurtelings purperen en blauwe juweelen aan de halmen gehecht heeft. Dan rijst de zon op, die in een oogenblik dat laatste sieraad van den nacht doet verdwijnen en ons zijn verwatenheid in het gezicht schijnt.

Ik zelf loop van de vechtpartij na te genieten, als een kwajongen, die met een gehavend wambuis naar huis sluipt. In mijn gedachten vervolmaak ik de slagen, de stooten, en het spijt me alleen maar, dat ze nog niet een beetje beslissender uit zijn gevallen.

Immers, hoe dikwijls heb ik het niet hooren verzekeren, dat een vijand, dien je uit de wereld hebt geholpen, je heel wat meer baat brengt dan een vriend, dien je gewonnen hebt.

Zwijgend gaan we verder, en het lood van twee doorwaakte nachten weegt mij in de schoenen, mat mij af.

Bij een sappig elzenboschje vleien wij ons neder, en terwijl Valentijn brood met ham uit zijn knapzak aan den dag toovert, mompelt hij:

„Als ik bij een poging tot doodslag nog de misdaad

105

Sluiten