Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wij volgen het bloedspoor. En als wij door de heesters heengedrongen zijn, raapt Valentijn een kanten das van den grond op. Ze blijkt gescheurd en stuk gereten. Wij herkennen ze beiden.

„Achter den man aan," schreeuw ik met een rood gezicht. En ik zet het op een loopen, meer nog om de plek v2n mijn schrik en mijn afschuw te ontvluchten, dan in de hoop mijn vijand te vatten. Maar Valentijn grijpt me driftig bij de mouw vast en bijt me toe, dat er eerst nog iets noodigers voor ons te doen is.

We keeren terug, waar Tiberius grauw en onaanzienlijk onder een wolk van dansende vliegen op de naakte baar van den stoffigen grond uitgestrekt ligt. We zoeken een plaats uit, waar de aarde weeker is. We buigen voorover, en met de handen hollen we een grafkuil uit. Dan tillen we den hond op, Valentijn den kop steunend en ik hem bij de achterpooten dragend, en leggen hem voorzichtig neer. Waarna we hem als in een bed toedekken.

108

Sluiten