Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VIER-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK

Vertelt van een bord soep, dat ik op het punt sta om koud te laten worden.

Een bank onder het loof van een wingerd, de zuivere lucht, die je inademt en die je geen sou kost, de zon„ die je schoot met puur goud vult, het kloppende bloed van je jonkheid, dat je voor niets wordt geschonken, en dan nog een beker vol landwijn, waar de gloed van den nanoen een paar robijnen in verloren heeft; ik wil toch aan Valentijn vragen, om een hed te dichten op de behagelijkheid, die gulle godin, voor haar ernstiger zusters vergeten, en wie niemand ooit een kroontje van zijn dankbetuiging om de slapen heeft gedrukt.

De dikke herbergier houdt ons gezelschap. Hij gelijkt in niets op den procureur van den koning,, integendeel prijzen zijn blos en zijn omvang de waarde. Van zijn kelder en zijn keuken aan.

Valentijn en hij blijken oude bekenden. De speelman vertelt van zijn tochten, warm, maar in weinige woorden, zoodat het me toeschijnt, of hij van alle streken, die hij doorkruist heeft, om een beeld van ze te geven,, enkel een korenaar laat zien.

De waard dan, op zijn beurt, verhaalt van de wereld»

112

Sluiten