Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den oever. Mijn makker had zich aan de riemen gezet, die ik niet kon hanteeren. Ik had het roer vastgegrepen, en hoosde, met mijn kletsnatten steek als emmer, de bedenkehjk lekkende boot uit. Als laatste groet uit de herberg hoorden wij, dat de poortdeuren met een krakend geraas opensprongen.

Langzaam vorderden wij, oprijzend, neerschietend. Telkens zag ik een golf aan de voorplecht uiteenstuiven en een slanke, roerlooze gestalte kronen met een droppendiadeem.

Hoewel ik bloedde en tot op de huid toe doorweekt was, had ik kunnen zingen van genot. Later heb ik het begrepen, dat we in doodsgevaar hebben verkeerd, maar bij de vaart zelf heb ik geen enkele gedachte ' geduld, die de kleur van de vrees droeg. De wondermacht van Gods Zoon niet te na gekomen, maar zou er nooit een 'minnaar over de zee hebben gewandeld, en zou een menschelijk verlangen nooit de golven hebben gestüd? Ik wenschte, verlangde, en het onweer rommelde heen aan den einder, het koken der baren bedaarde, en boven ons schenen de sterren weer.

Van heel uit de verte schreeuwde een woedende stem over het beveiligende water.

126

Sluiten