Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ZEVEN-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK

Handelt over een wereld, waarvan niet anders dan sprookjes kunnen verteld worden.

En zoo trokken wij nu met ons drieën door den klaren, opgefrischten morgen, alsof we zoo maar uit een sprookje waren weggevlucht.

Daar had je den kobold, die aan het knobbelige bolgewas van een alruinwortel deed denken, waarboven de gitaarsteel met zijn koperen schroeven een ontbladerden stengel schuin opstak; daar had je den struikroover, die een verfomfaaiden steek droeg en zijn druipnatte jaspanden tegen de beenen liet bengelen, en daar had je tenslotte dan de prinses nog, de keukenprinses zou Valentijn meesmuilen, als hij mijn gedachten had kunnen ontcijferen, die wij uit haars vaders kasteel hadden gestolen, en nu ergens gingen verbergen in het binnenst van een edelsteen.

Ook zelfs de ochtend werkte mee, om die verbeelding uit het brein van een praatzieke voedster luister bij te zetten, want van de droppen van het onweer had hij juweelen gemaakt, en de schoon gewasschen vruchten blonken als goud door het loover. Alleen de droomende engel met het zwaard op de knieën ontbrak er nog maar aan, en de wijze vogel die

Ik en mijn Speelman

127

Sluiten