Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ACHT-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK

Waarin ik mij van allerlei dingen afvraag, wat ze te beduiden hébben.

Al sinds een paar dagen zijn we ons nieuwe rijk binnengetrokken, beladen met mondkost: twee hammen, die we tusschen het druipsteen van de zoldering hebben opgehangen, twee kazen, een zak vol met groenten en een schepel of wat appelen.

En nu maakt Madeleen haar kookvuur aan onder de aandacht van een zwart berookt kruisbeeld, nu zetten we ons op de lage bank neder, die de deemoed van magere knieën uit heeft gesleten, en nu legt Valentijn zich op den stroozak te slapen, aan het hoofdeinde waarvan duivelen en engelen om een ziel hebben geworsteld. Mijn bed van'bladeren is er naast opgegehoopt, terwijl we een derde'legerstede in een van de zijgangen gespreid hebben.

Madeleen stooft hier en bakt hier, houdt schoon en verwent ons; fk sprokkel hout voor den huisbrand, ik reinig het vaatwerk waarde beek stroomt, en tracht er iets versch voor ons maal te bemachtigen. En als ik daarbij dan denk aan de plechtstatigheid, waarmede ik eenmaal door Basque uit het bed werd geholpen, aan mijn draagstoel, bezoeken en aan de buigingen,

135

Sluiten