Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

NEGEN-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK

Een gezicht, een gesprek, een gezang.

Het verlangen is een slechte slaapkameraad, die je telkens, zoodra je de oogen wilt sluiten, weer een anderen wensch in het oor fluistert. Daarom ben ik vroeg van mijn dorre-bladerenbed opgerezen en den morgen ingegaan.

De dauw blinkt en fonkelt, de nog onbevlekte zon wandelt als de god zelf door de tempelgang der oude, eerwaardige stammen, de beek praat, lacht en spartelt langs de droomerige varens aan den walkant, die nog wat nacht gevangen houden, en langs de wilde rozestruiken met hun bottels als bloeddroppen.

Dan kraken de twijgen, een lied klinkt, en de nimf verschijnt. Wel draagt ze haar hemdrok, maar ze gaat ongeschoeid, en haar armen en schouders zijn tintelend en bloot als de sneeuw op de bergen. Ik lig in het diepste van de struiken verborgen. Behoedzaam daalt ze van den oever af, en als ze een kleinen, blanken voet in den stroom dompelt, smeedt die er dadelijk een zilveren ring om. Ze bukt zich, werpt een handvol water over den hals en de haren, en dan spiedt ze in de richting van mijn schuilhoek uit.

139

Sluiten