Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

En weer kijkt ze mij aan, zoo warm en hartelijk als op dien avond in het prieel bij de herberg en,

„Frido," zegt ze, want zoo noemt ze mij. „heb je ook weieens hooren vertellen, dat de menschen, voordat ze geboren worden, hun komend leven drinken uit een beker van kristal? En zouden wij samen niet uit denzelfden kelk hebben gedronken, wij, die voor eenzelfde gevaar op de vlucht zijn, en in onzen jeugdtijd een eender bericht hebben gekregen?"

Want zij ook heeft een belofte gehad. Toen ze als een klein meisje op een zomerdag bessen verzamelde, heeft een zigeunervrouw, die in haar bonte kleederen aan den rand van den weg zat, haar tot zich geroepen. En op den breeden schoot, op haar vlamrooden rok, heeft ze de wonderen uitgestald, die ze uit een lederen zak haalde: het parelsnoer, dat door de heilige Maria was gedragen, juweelen in een adelaarsnest gevonden, talismans, waarop een korenhalm was ingesneden, een kaartspel met de wereld, de gesternten, zon en maan, de pausin en den keizer, gouden noten en een bundeltje gedroogde kruiden, waarin de geur der bloemen is bewaard gebleven, door de tranen van Christus bevochtigd. En al de sprookjes, die haar verteld zijn, hebben zich heen gesponnen om de kostbaarheden van de vreemdelinge, en geen enkele vreugde, welke haar later ten deel is gevallen, heeft geluk geschonken, die niet een glans had van dien droomenschat.

141

Sluiten