Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van blauwe serge, waarboven de overrok donkerder opbolt, met haar keursje grijs en sierloos en haar witte linnen kap, de livrei van de keuken, de dracht van een dienstmaagd. Maar als ik het in mijn gedachten herhaal: „als een dienstmaagd", dan glanst ook die naam op, alsof ik hem uit de parelen van de heilige schrift heb uitgelezen.

Ik leun met het hoofd tegen den beuk aan, onder den gaffel van een zwaren, krommen tak, en als Madeleen naar me opkijkt, vraag ik:

„Madeleen, wat is er toch?"

Want, sedert we die gedroomde rijkdommen daar aan den oever van den stroom hebben achtergelaten, is ze zwijgzaam geworden, en ontwijkt ze mij.

Ze geeft me geen antwoord, maar klemt de hppen op elkander, en zoo angstig en smeekende ziet ze mij in de oogen, dat ik niet aandring, maar integendeel, om haar de vroolijkheid te doen hervinden, die haar'van den kus van haar vriend heeft doen zingen, den vertrouwelijken bochel van mijn beminnehjken makker laat opdoemen, en haar van Valentijn vertel — over zijn sprookjes, de herscheppingen, die ik haar uitleg, over zijn zangrijken zegetocht door het land onzer reizen, over den procureur van den koning en den knaap voor het raam. En dan vraag ik het haar, of zij kan begrijpen, waarom ik zoo dikwijls aan dien door zijn open venster over korenvelden turenden jongen denk,

145

Sluiten