Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een heester, een hinniken schatert zijn spot in mijn ooren, en de moordenaar zit in het zadel.

Wel krijg ik de kans nog om den boomtak, onder het loopen door weer van den grond gegrist, in een welgemikten mep op zijn nek te doen neerdalen.

Ik hoor een noodkreet, als van een zwijn, dat gekeeld wordt, en zoo rijdt hij heen. Ja, dit zie ik nog van hem, dat hij wegdraaft, voorovergebogen, met zijn gezicht in de manen, zijn armen om«den hals van het paard, de stijgbeugels ledig; dan zijn de inspanning tezaam met het hout, dat mij getroffen heeft, en waarvan ik nog duizel, te veel voor mij gebleken, en ruggehngs tuimel ik in de duisternis.

Als ik wakker word, is het mij te moede, of mij een ongeloofehjk schoon geheim wordt ingefluisterd. Ik wil er op antwoorden, maar ik kan niet, omdat twee hppen de mijne hebben gevangen genomen. In een zalige verwondering wordt het me langzaam aan duidehjk, dat ik wild en dorstig wordt gekust. Ik beweeg mij, mijn hoofd glijdt van den schoot af, waar het heeft gelegen, ik richt mij op de handen op. Madeleen staat voor mij, zij schudt zich de rokken, alsof iemand ze bezoedeld heeft, en als ik naar haar opzie en" wil spreken, staart ze mij aan in zoo'n bleeke vertwijfeling, zoo toornig, dat ik van verbaasde moeheid weer de oogen sluit.

Ik hoor hoe ze wegsnelt, Valentijn's naam roepend.

148

Sluiten