Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

stond ik buiten, verbünd en geslagen, als de prins uit het sprookje, die een verboden deur geopend heeft.

Een seconde later vond ik mij gebogen bij den oever van de beek. Ik doopte de hand in het water, en er druppelde een kettinkje parelen af, ik hief het hoofd op naar het door de zon beschenen loover, en het was bedekt met juweelen.

Plotseling viel mij Valentijn's uitspraak te binnen: „zeker een of andere weggeloopen kamenier, die behalve een heele boel andere dingen, ook nog de manieren heeft gestolen van haar meesteres." Vol afschuw dreef ik die verdenking op de vlucht, maar mijn verbeelding had dadelijk weer een nieuwen pijl gesmeed. Zij tooide Madeleen met al die schoone edelsteenen, en leidde haar tot mij, dichter bij mijn dorstige hppen, dan zij ooit tevoren was geweest, nader bij mijn begeerige handen en bij het onkuische verlangen van een ontgoochelden édelman; verder weg echter van den ring, dien ik haar aan den vinger had willen steken, verder weg ook van den naam, die haar bruidskroon zou wezen, en verder van een eerbaar huwelijksbed.

Uren lang dwaalde ik rond door de bosschen, terwijl de kleinoodiën mij hun glinsterend vergif in de ziel drupten.

Toen ik eindelijk de grot was genaderd, zag ik den rook opstijgen voor het middagmaal.

156

Sluiten