Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DRIE-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK

Over mijn schipbreuk op een zee van juweelen.

De schat van Satan, zeg ik, want zouden de edelgesteenten in waarheid niet door den duivel gemaakt zijn, zou hij er niet een vonk van de zon in hebben opgesloten, om ons oog van het stralende morgenhcht te vervreemden, en zou hij er niet een droppel dauw in nagebootst hebben, om onze lippen af te wenden van de reinheid van een koelen dronk? Dit vraag ik alleen maar, om niet al het donkere, slechte van dien avond op de lafheid van mijn ziel te hoeven wentelen.

Mijn lijfrok had ik niet uitgetrokken, noch mijn rapier tegen den wand gezet, maar ik bleef op mijn leger van bladeren zitten, zeker er van dat de nacht weer slapeloos voorbij zou gaan.

Madeleen had haar bed al vroeger opgezocht. Bijwijlen wierp ik een houtblok in de flakkerende vlammen, en vocht tegen mijn moeheid.

Robijnen, topazen, briljanten, een flitsen, een sprankelen. Als de golven van een springvloed kwamen ze opzetten, spatten uit, bedolven mij. En wat zij uitstortten in mijn gedachten, bleek juist dat heimwee naar de ijdelheid des levens te wezen, waarvan ik

158

Sluiten