Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ZES-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK

Waarin ik mij opgenomen zie in den schoot der familie.

„Claude," schreeuwde mijn vader, terwijl hij vlug als een jongen van achttien uit het zadel sprong, „dus heeft die schoft van een struikroover de waarheid gesproken; God zij geprezen."

En een oogenblik later omknelden mij twee krachtige armen, werd ik zoo heftig tegen de knoopen van een kamisool gedrukt, dat de adem mij werd benomen, en schraapte een stoppelige kin, die in geen dagen het scheermes gevoeld had, tegen mijn wang aan.

Maar even plotseling tuimelde ik achteruit, teruggestooten, en wijdbeens in zijn geweldige rijstevels rees mijn Vader dreigend voor mij op, zette met eennijdigen ruk zijn grijsharige pruik recht, werd purper van woede, en overstelpte mij met een stortvloed van scheldwoorden. Een deserteur en een schunnigen landlooper, Absalom en Judas noemde hij mij.

„En nóg een mijnheer de Lingendres," grauwde hij, met een zwaai op de hakken zich omdraaiend, mijn aanrander toe, „waarlijk, twee waardige neven."

„Wat?" riep ik verbijsterd: „en waarom heeft hij mij dan als een sluipmoordenaar van achter de struiken

168

Sluiten