Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

NEGEN-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK

Waar sprake is van den wijnoogst en het paradijs achter het tuinhek.

Een Septemberdag, klaar, koel en pittig, met een glans van licht goud over den hemel en een weerschijn van brons over de boomen, en overal tegen de heuvelen drukte van den druivenoogst. De plukkers, de purperen trossen, de stralende morgen, een heilige drieëenheid van arbeid, vruchtbaarheid en zon. Op den landweg de vrouwen, Pomona's, tot den rand gevulde korven torsende, en langzaam ze volgend de roomblanke ossen voor weelderig bestapelde karren. Uit de hutten, de hoeven, het gezucht van de wijnpers, het gestamp in de kuipen, de geuren van den most. En dan nog de beker, die mij telkens gereikt wordt, omdat ik een zwerveling ben. Klinkt het vreemd mij te hooren bekennen, dat ik weer moed vatte, het noodlot verloochende en op den staf der voorzienigheid steunde?

Tegen den middag naderde ik een dorpje met een spreeuwenzwerm om zijn torenspits.

Op een weide, terzij van een schaapskooi, hadden zich menschen verzameld, mannen en vrouwen, hggend en staande, in kleurige groepen, rond een

179

Sluiten