Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Nu dat zullen we dan dadelijk maar eens probeeren," riep een jonge, kloeke moeder uit, terwijl ze het kind van den redenaar wegnam en het kuste.

„Valentijn!"

Van verwondering rolde hij met ton en al ondersteboven.

Tot troost werd ons beiden een beker geschonken, en nog een, een derde.

Ik vroeg hem waar zijn gitaar was gebleven, want ik miste die.

„Op zoo'n oogstdag is een lied als de vonk in een kruitvat," fluisterde hij voorzichtig „ik heb hem daar ergens onder de struiken verstopt."

En hij ledigde zijn kroes tot op den bodem.

182

Sluiten