Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hij geeft me geen antwoord, en daarom keer ik den kop om en pak met mijn vleezige lippen een vrucht beet.

Op hetzelfde oogenbhk word ik onthaald op een dracht stokslagen, mijn magere knieën knikken door, mijn hongerige buik rommelt, de zon brandt en de felle vhegen steken mij. Zoo voel ik de moeiten des levens. Ik troost mij met een distel, die ik afpluk langs den weg. Twee zaadpluizen waaien er af en naar boven; de eene ben ik en de andere mijn makker. Een luchtstroom, naar het Noorden blazend, zuigt ons mee.

Tegehjk schrik ik wakker. Het is nog donker op den heuvel, midden in den nacht. Naast mij wrijft Valentijn zich de oogen uit.

„Dat komt van dat brouwsel der druiven," moppert hij.

„Ja," zeg ik verbijsterd.

186

Sluiten