Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Door de geopende deuren riepen ze mij de huizen in. Ik werd er als een lang verwachte broeder ontvangen, en zoodra ik gespeeld had, was er tusschen mij en mijn toehoorders een eeuwige vriendschap gesloten.

Natuurlijk vloeide daar, gelijk er staat geschreven, de stroom des levens onder de gewelfde brugbogen, en groeide de boom aan den oever, met de twaalf roodgouden vruchten van een gezegend ziele jaar; maar bovendien was er een warmte in het hart wakker geworden, die je met geluk overstelpte, alsof je in den hemel te gast was gekomen, en die het je, wanneer je 's morgens het hoofd van het kussen ophief, niet eens noodig maakte het venster te openen, om alle vinken en lijsters in je bloed te hooren jubelen, de bloemen er te zien opengaan, de zee er te voelen bruisen, en het blauw er over te weten heerschen volgens de wetten der gelukzaligheid.

Spoedig daarna vertrok ik uit die stad, maar het wonder was, dat ik haar toch niet achter mij hoefde te laten. Want als ik weer een nieuwe plaats van bestemming bereikte, en van uit de verte de brokkehge wallen zag oprijzen, en een gepruikten schildwacht bij een vermolmde ophaalbrug op post zag staan, ging ik toch altijd weer een poort door die uit een kostbare parel was vervaardigd, en zong ik op het marktplein, nadat ik mijn gitaar had gestemd, voor de zusters en zonen van goden."

201

Sluiten