Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

En dan buigt hij aandachtig naar voren, om Madeleen's geschiedenis te hooren.

Ze heeft zich van mij losgemaakt. Rustig doet ze haar verhaal. Niet veel blijkt het, wat ze ons heeft te berichten. Hoe zij na haar zoeken, uitgeput en verslagen van wanhoop, aan den wegkant ineen is gezakt, en hoe zij in dezelfde reiskoets, waarin wij nu naar de hefste van alle vervuilingen rijden, is wakker geworden, terwijl een onbekende haar een reukfleschje onder den neus hield. Hoe ze zich willoos mee had laten nemen, hoe zij in een vreemde omgeving, waarvan de verdachte opschik haar nauwelijks op was gevallen, onverschilhg had verder geleefd, totdat dezen avond een onverlaat, doorgedrongen in haar slaapvertrek, de hand op haar gelegd had, Haar roepen om hulp toen, en plotseling . . .

Valt de lichtglans van de flambouw bij een tolgaarderswoning dwars door het portierraam, en zien we dat Valentijn is ingeslapen, knikkebollend in elkaar gezonken tot een hoopje doove al vergetelheid.

„En plotseling was jij het, o Frido," en met een snellen zijbhk naar mijn goedwilhgen makker, slaat ze mij de armen om den hals. En ik weet niet, hoelang onze kus duurde; maar de lente look er in op, het herfstloof viel er in neder, zeeën reisden we er in over, wij stierven er in en werden herboren.

219

Sluiten