Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

pakken. Behoedzaam sluipen we in de schaduw langs de huizen.

Eensklaps ontdek ik bij een straathoek, die door een uitstervende toortsvlam begloeid wordt, Villeroi en mevrouw de Soubise, allerlei gebaren en plichtplegingen makend, als een paar spelers, die op een slecht verlicht tooneel hun rollen vervullen, en dan zie ik hém haastig den beleefd groetenden steek op het hoofd zetten, haar den waaier dichtklappen, en ze dan beiden, arm aan arm, zich in het diepst van het steegje verliezen, dat uitmondt ergens buiten in het struikgewas.

Ik weet niet, of Mathilde iets van dat blijspel gemerkt heeft, maar wij snellen verder, tot we de openstaande deur van de pastorie hebben bereikt. Wij loopen de muisstille gang door, en als we in de eenzaamheid van den tuin zijn gekomen, kussen wij elkander onder een toef maan-witte asters, zoo ademloos lang en verloren, dat wij meer dan één appel in den boomgaard op den doffen grond hooren ploffen, wat een klank van vervulling en vruchtbaarheid in de ziel geeft.

Als eindelijk onze kus zichzelf heeft overleefd en wij elkaar aanstaren, fluister ik:

„Dus Ik was die losbandige jonker, die over de haag van den schoolmeester heeft gekeken, en om wien je dat bundeltje hebt gepakt en de vlucht hebt genomen?"

266

Sluiten