Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

met een gezicht van „wat moet dat hier" aanstaarden. Even later verschenen een paar inlanders in draf, waarvan er een drie en een half woord Engelsch sprak. Waar ik telefoneeren- kon, vroeg ik hem. „Vlak bij, op één mijl afstand", was het antwoord, waarna ik Frijns en Elleman bij de Postduif liet, om zelf met den inlander als gids naar de telefoon te wandelen.

U hebt wellicht ooit aan een Veluwschen boer den weg gevraagd, en van hem willeni hooren „hoe ver" het nog loopen was? Zoo ja, dan heeft hij geantwoord „een stief kertierke". Want voor een Veluwschen boer is drie uur tippelen „een stief kertierke". Mijn inlandsche vriend was ongetwijfeld geen Veluwsche boer, maar met die stijve kwartieren kon hij minstens zoo goed overweg.

Wij liepen. Tien minuten. Geen telefoon. Twintig minuten. Geen telefoon. Dertig minuten. Geen telefoon. De zon brandde als 'n steekvlam. Mijn gezicht zakte vèr onder nul. Eerst was het opgewekt, na een kwartier werd 't onverschillig, na een half uur moet de moordlust al uit mijn oogen hebben gestraald. Mijn gids keek zeer ontdaan en bezwoer mij, dat... 't nog

maar één mijl was. Ik zweeg. Spreken ware hier overdaad.

Thans wist ik „hoe warm het was en hoe ver". Met den moed, die der wanhoop is, sjokte ik voort. Vijf en veertig minuten, die waren als vijf en veertig eeuwigheden. Toen waren wè bij 't politiebureau, maar telefoneeren kon ik niet, want de motoren hadden mij te doof geronkt, om nog iets te kunnen verstaan.

Den politiechef liet ik maar zeggen, wat ik hem opgaf. De Nederlandsche consul Ooyevaar was in Rangoon en zijn plaatsvervanger zou me direct een taxi sturen naar Dum-dum Khona. Deze taxi kon in een half uur bij me zijn- Verder liet ik vragen om benzine en olie en tevens een crick, stophout en dekzeilen voor de motoren. Daarna zakte ik amechtig in een luien stoel, dien de inspecteur voor me had neergezet Hij begon wat los te komen, praatte over zijn bewondering voor onze vlucht en deed daarna iets, wat ik zeer apprecieerde. Hij pootte n.1. een inlander met een grooten waaier bij me, een half uur later was ik weer geheel opgefrischt. Daar de taxi er nog niet was, informeerde ik nog eens. Hij was reeds lang onderweg en had er reeds moeten zijn.

Toen vroeg lk den waarnemend consul, of hij- dan niet zelf kon komen, en hij beloofde me toen, direct een wagen te zullen nemen. Intusschen kon ik weer ruim een half uur wachten. Gedurende dien tijd echter waren de agenten aan 't exerceeren, waarna een inspectie volgde. Ik had dus nogal afleiding. Eindelijk hoor ik een auto. Het blijkt te zijn een halfbloed, die zoo slim was geweest me even te komen halen. De eerste taxi, die naar

42

Sluiten