Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ic-5

Constantinopel. In 324 had Constantijn ook de tegenkeizers in de oostelijke helft van het rijk verslagen: hij was alleenheerscher. Hij nam een besluit van gewichtige gevolgen, toen hij^jijn residentie verlegde naar Byzantium en deze stad den naam gaf van Constantinopel. De redenen daartoe waren de volgende:

ie. Reeds lang was het Oosten feftélijk het rróddelpunt geworden van het wereldrijk, daar woonde de dichtste bevolking, daar stond de beschaving het hoogst.

2e. Byzantium lag prachtig, niet te ver van den Donau en de Euphraat, strategisch sterk, het was het middelpunt van het Oosten. Als hoofdstad heeft Constantinopel stand gehouden tot 1453, wel een bewijs, dat de keizer goed gezien heeft, toen hij zijn besluit nam. Maar tegelijkertijd wordt Rome meer en meer het middelpunt der Christelijke Kerk, al is het duizend jaar vroeger voor het geweld der barbaren bezweken.

Het Arianisme. De Kerk voert den titel „christelijk" in tegenstelling met het polytheïsme der Oudheid, gedurende de regeering van Constantijn neemt zij den naam aan van de Katholieke Kerk in tegenstelling met de ketterij.

Het is volkomen verklaarbaar, dat 200 kort na het EdiéÉ van Milaan, een geweldige strijd ontbranden kon over een der voornaamste leerstukken van het Christendom, de Godheid van Christiiïiyi :

1. de Hellenistische'theorieën vonden nog tal van aanhangers;

2. ofschoon de Hellenistische wetenschap het polytheïsme reeds lang den rug had toegekeerd, was zij er toch nooit in geslaagd een gaaf begrip te ontwikkelen omtrent den eenen, waren, eeuwigen God;

3. daatuit ontwikkelde zich het streven om het heidendom en het Christendom in theorie met elkaar in overeenstemming te brengen.

Het is derhalve geen toeval, dat juist te Alexandrië, het eeuwenoud middelpunt van het Hellenisme, het Arianisme den aanval opende. De ketterij ontleent haar naam aan een der pastoors van de stad, Arius. Hij loochende de Godheid van Christus, beschouwde den Zaligmaker der wereld slechts als een hoogverheven, bovennatuurlijk Godsgezant, wien God de verkondiging van Zijn wil had toevertrouwd. Ons is deze theorie een godslastering. De ontzaglijke verhevenheid der H. Menschwording, van Christus' Lijden en Sterven, van de zegevierende Opstanding wordt er door verguisd. Is Jezus Christus niet de Zoon van God, de tweede Persoon der H. Drieëenheid, Zijn Kerk zou de eenig. ware Kerk niet kunnen zijn.