Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

140

werden dan a 11 o d i a 1 e goederen, d.w.z. het onvervreemdbaar, volkomen bezit der eigenaars.

Op den-duur echter konden de vorsten dit niet volhouden. De grootgrondbezitters dreigden de koninklijke macht boven het hoofd te groeien. De Karolingische hofmeiers begrepen het gevaar en trachtten het te keeren. Karei Martel veranderde van takrJiek. Hij gaf geen allodiale goederen meer uit, maar volgde het voorbeeld van de Kerk.

Kerkelijke goederen ztjaoonvervreemdbaar. Vandaar dat kerkvorsten en kloosters een anderen weg volgden om hun grondbezit vruchtdragend te maken. Zij gaven stukken van hun grond in vruchtgebruik aan anderen, die wederkeerig verplicht werden tot de opbrengst van tienden aan den eigenaar. Zulk een schenking heet beneficium.

Karei Martel past dit beginsehtoe op de staatkundige verhoudingen. Hij behoudt den eigendom en kent aan derden slechts het leenrecht toe. Als leenheer blijfthij de seriibr (seigneur), de leenman, vazal, krijgt het vruchtgebruik van de landerijen, maar moet zich tevens verbinden tot bepaalde verplichtingen:

1) hij is gebonden aan bijzondere getrouwheid aan den leenheer, wiens soevereiniteit hij erkent;

2) hij iis gehouden tot persoonlijken dienstplicht en tot het leveren van een lichting soldaten uiteifijn leen, féodum.

De leenman mocht zijn leen niet vervreemden, wel gedeelten aan anderen in achterleen geven (achterleenman).

Op deze wijze trachtte Karei Martel de vorstelijke macht te handhaven boven de adellijke grootgrondbezitters.

Langzamerhand zijn ook allerlei bestuursbevoegdheden en heerlijke rechten, zelfs ambten, als beneficium of feodum verleend. Daardoor raakt het grondbezit verbonden met politieke macht.

Toen nu in 752 het Huis der Merovingers werd opgevolgd door dat der Karolingen had zich reeds een machtige aristocratie ontwikkeld, waarmee de nieuwe koningen rekening moesten houden. Zoo stelde Karei de Groote zijn Capitularia eerst in werking, na overleg met de Frankische grooten op de Meivelden en benoemde hij de hoogere ambtenaren, graven, over de verschillende gouwen steeds uit de grootgrondbezitters aldaar. Oorspronkelijk werden zoowel de leenen als de grafelijke waardigheid slechts voor het leven toegekend. Onder Karei den Grooten

Sluiten