Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

155

Otto de Groote werkte niet alleen indirect door zijn Italiaansche politiek, maar ook direct de verbrokkeling van den Duitschen staat in de hand. Evenals in Frankrijk de Capetingers, van hun hertogdom Francië met Parijs als middelpunt uit, langzaam maar gestadig het koningschap over geheel Frankrijk uitbreidden en zoo de eenheid van den Franschen staat hebben voorbereid, hadden de Ottonen dit kunnen doen in Duitschland, uitgaande van hun eigen gebied Saksen. Maar het tegendeel geschiedde: Otto beleende zijn broeder met Beieren, zijn eenen schoonzoon met Frankenland, den anderen met Lotharingen en zijn zoon met Zwaben.

Zijn opvolger Otto II, gehuwd met de Grieksche prinses T h e op h a n o, trok evenals zijn vader naar Rome en werd door den Paus tot keizer gekroond. Maar toen hij Zuid-Italië wilde zuiveren van de Arabieren en Theophano's vermeende aanspraken op dit gebied doen gelden, is zijn legermacht verslagen. Hij stierf kort daarop te Rome, nog geen dertig jaar oud.

Otto III, zijn onmondige zoon, kwam onder de voogdij van zijn fijnbeschaafde moeder Theophano. In die dagen vormde het hof der Ottonen een middelpunt van beschaving, kunst en letteren. De jonge Otto was zoo begaafd, dat men hem het „wonder der w e rel d" noemde. Op vijftienjarigen leeftijd nam hij zelf de teugels van het gezag in handen. Hij overschatte zich zelf. Zijn fantastische plannen onttrokken hem geheel aan zijn eigenlijke taak: de krachtige handhaving van zijn koningschap over de leenmannen. Meer Griek dan Duitscher droomde hij zich de heretelling van het oude Romeinsche rijk in zijn vollen omvang met Rome en Byzantium. als hoofdsteden.

De laatste keizer van het Saksische Huis, Hendrik II, de Heilige, slaagde er in het gezag van zijn voorgangers te handhaven. Hij stierf in 1024.

De tijd der Ottonen kenmerkte zich door een krachtigen opbloei vankunsten en wetenschappen (OttonischeRenaissance). Aan het hof werden Latijnsche en zelfs door sommigen Grieksche schrijvers bestudeerd. Een zelfstandige letterkunde ontstond nog niet in het Duitsch, maar in het Latijn (Waltharilied). Beroemd waren de kloosterscholen te St. Gallen, Reichenau, Fulda en Corvey.

Sluiten