Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

172

welke vooral onder de regeering van Lodewijk VI en Filips II Augustus-zich ontplooit om in de dagen van den H. Lodewijk IX zijn toppunt gedurende de Middeleeuwen vóór 1300 te bereiken.

Lodewijk VI, ± 1125, vond in den begaafden abt van St. Dénis, S u g e r, den eersten mirnster, dien hij noodig had voor de vestiging van het centraal gezag en in de zSrHx'ontwikiefende „communes" toegedane bondgenooten. Steden had Frankrijk altijd gekend. Caesar vond ze compleet en wel, tot en met de wallen toe, bij de Galliërs, de Romeinsche overheersching en kolonisatie deed er tientallen bij ontstaan, dat is niet alles in den wervelstorm der Volksverhuizing te loor gegaan. In de Middeleeuwen zijn weer nieuwe steden ontstaan, vooral rondom abdijen en kasteelen, en in het algemeen daar, waar goede bestaansvoorwaarden aanwezig waren. Zonder handel en industrie kan een stad niet bestaan.

Er is echter een belangrijk verschil tus&chen een stad en een commune. Reeds in de tweede helft van de elfde eeuw is de burgerij in Frankrijk door haar bedrijf tot groote welvaart gekomen, hier en in IttÖë zag Europa het eerst den derden stand ontstaan. Deze burgers hebben hun eigen belangen in den staat: geregelcnen veilig verkeer, goed georganiseerd markt- en muntwezen, een soliede verzekering van hun woon- en pakhuizen in de eigenstad. De feodale adel verstond in den regel de kunst niet om deze belangen behoorlijk te verzorgen. Naarmate de burgerij welvarender en meer zelfbewust werd, gevoelde zij zich in staat om zelf voor haar wenschen op te komen; zij wil in haar steden zelfbestuur door eigen gekozen overheden. Zulks kon niet anders'gebeuren dan ten koste van het soeverein gezag der vorsten in de verschillende streken. Maar de beweging onder de burgerij is op den duur onweerstaanbaar gebleken, aan vele steden zijn charters frojheidsbrieven) toegestaan, die haar verhieven tot den rang van communes.

Een commune is dus een stedelijke organisatie, die autonomie heeft verkregen. Door verschillende omstandigheden heeft de burgerij haar doel weten te bereiken:

1. De feodale heeren waren dikwijls baatzuchtige dwingelanden, die door hun wanbestuur tot verzet prikkelden.

2. De lijfeigenschap verdween meer en meer, de vrijgeworden landgenoot vestigde zich bij voorkeur in een of andere stad.

3. De kruistochten hebben den adel schatten gekost, die door de steden graag werden opgebracht iri ruil voor een charter of bijzondere rechten.

Sluiten