Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

195

veel grooter was dan nu en waardoor het evenwicht tusschen de belangen van het geestelijk en het bedrijfsleven veel gemakkelijker bewaard bleef, dan in onzen materialistischen tijd.

De bloeitijd der gilden valt in de 14e en de 15e eeuw, zij eindigt met het begin der Hervorming. Met de eenheid van godsdienst valt de grondslag uiteen, waarop zij waren gebouwd. Dat is het kenmerkend verschil met de moderne vakorganisatie, die hopeloos te kampen heeft met de verdeeldljjrid,^ levensbeschouwing, welke de oplossing van de sociale kwestie in de twintigste eeuw de grootste moeilijkheden in den weg legt.

Eeuwenlang vinden wij in de geschiedenis van Europa de nawerking der middeleeuwsche toestanden terug. Tot in de dagen der Fransche revolutie bleven er overblijfselen bestaan uit den tijd der hoorigheid in den vorm van heerendiensten en tienden* De Fransche revolutie heeft pas de toen sterk verbasterde gilden doen verdwijnen, maar nu zijn zij weer herleefd in anderen vorm. De wallen, der steden zijn gebleven tot den tijd van het moderne geschut, na 1870. Al zagen de middeleeuwsche steden er weinig aantrekkelijk uit, zonder verlichting, zonder bestrating, zonder stadsreiniging, menige stad bewaart nog altijd met zorg overoude juweeltjes van architectuur, bewaard gebleven uit lang vervlogen tijden. De steden en de burgerij zijn in de maatschappij «en macht geworden, die weldra de evenknie zou blijken van den adel. Lang en fel is tusschen beide standen de worsteling geweest om de eerste plaats.

De Ontwikkeling van het Kasteel.

Oorspronkelijk waren de kasteelen zeer primitief. De kern er van bestemd in de 9e en 10 ie eeuw uit een zwaren, houten toren, donjon geheeten, die gebouwd werd boven op een breede rots of een heuvel. De donjon was tevens woningvan den heer en vesting. Bij een vijandelijken aanval werd de toren met natte huiden omkleed tegen brandstichting. Een soort van beweegbare trap — de latere ophaalbrug — gaf toegang tot den donjon. In de omgeving bouwde men andere houten gebouwen: keukens, stallen, woningen voor de dienstluiden. Het geheel werd omringd door een diepe, breede gracht, waarvan de opgeworpen grond tot een wal verwerkt en deze door een palissadeering in staat van verdediging gebracht was. (Zie onderstaande afbeelding).

In de elfde eeuw vooral is men den donjon van steen gaan bouwen, in plaats van de aar dom walling kwam een zware muur. De kasteelen waren toen nog plompe, sombere forten. Op de vier rechte hoeken verschenen ronde vestingtorens. De buitenwal nam steeds in omvang toe, de breedte werd in den regel ongeveer 6 M., men bouwde er meerdere torens in. Op dén wal kwam een ommegang, beveiligd door kanteelen, vanwaar achter de verdedigers den strijd konden voeren. Over de gracht werd een ophaalbrug gelegd, aan zware kettingen bevestigd, die toegang verleende tot een gewelfde poort. De binnenruimte nam

Sluiten