Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VIJFDE HOOFDSTUK.

DE EEUW VAN LODEWIJK XIV, 1660—1715. § 1. De onbeperkte monarchie in Frankrijk. .

Lodewijk XIV, 1643—1715. Richelieu en Mazarin hadden het onbeperkt koningschap stevig bevestigd, maar zij hadden tevens in de absolute monarchie een gezag uitgeoefend eigenlijk in strijd met dit beginsel zelf. Lodewijk duldde dit niet; zijn trotsche heerschersnatuur („la majesté faite homme") kwam in verzet tegen het feit, dat een alvermogen^ minister zijn koninklijke oppermacht in de schaduw stelde. Toen Mazarin in |$6i stierf, verklaarde Lodewijk zijn eigen minister te zijn en zelf de regeering te willen voeren. Van dien tijd dagteekent het persoonlijk bewind des konings, volgens de uitspraak, die men hem in den mond heeft gelegd: „L'état, c'est moi!" Hij was een man van groote scherpzinnigheid en werkkracht, een koning in geheel zijn wezen en voorkomen. Zijn levensdoel, de hegemonie over Europa, trachtte hij met alle mogelijke middelen te verwezenlijken. Hij was echter geen Karei de Groote en geen Karei V. Een leger aanvoeren kon hij niet. Zijn verdienste ligt in)V£jjn juist initiatief en zijn diplomatieke gaven.

Zijn ministers. Zeer gelukkig was de koning in de keuze zijner staatsdienaren. Zijn minister van financiën, Colbert, bracht handel, nijverheid en landbouw tot een ongekenden bloei en voerde een verstandig en zuinig beheer der financiën in (colbertisme). Ook stichtte hij Fransche koloniën in Azië en Amerika (Louisiana) en vatte een lievelingsplan van Richelieu weer op: de vorming van een goede marine. Wat Colbert voor de binnenlandsche zaken was, dat was Louvois voor de militaire belangen (intendance; passevolants). Hij maakte het Fransche leger tot het beste van zijn tijd *).

1) Frankrijk had in de tweede helft der 17de eeuw ongeveer 20 millioen inwoners. Het leger telde in den Devolutie-oorlog 125.000 man; in 1700 was het opgevoerd tot 450.000 man.

Sluiten