Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

173

Willem I deelde dit inzicht niet, hoopte nog op een vreedzame oplossing tegenover Oostenrijk, maar toen hij Bismarck het ambt van minister-president, tevens minister van buitenlandsche zaken toevertrouwde, vermoedde de koning niet, dat deze koninklijke dienaar heel wat meer zou kunnen tot stand brengen, dan de reorganisatie van het leger.

De Fortschrittspartei maakte het eerst kennis met de onverzettelijkheid van den nieuwen minister. In 1862 sprak Bismarck, die een voortreffelijk redenaar was, in het Huis der Afgevaardigden de beroemde woorden aan haar adres:

„Niet door redevoeringen en meerderheden kunnen de vraagstukken „van dezen tijd opgelost worden, maar door ijzer en bloed". Het tijdvak van den „ij z e r e n kanselier", 1863—1890, was begonnen. De conflict-tijd, 1862—1866. Bismarck opende zijn bewind door de liberale oppositie onbewimpeld den handschoen toe te werpen. Zijn eerste begrooting werd afgestemd in het Huis van Afgevaardigden, maar het Heerenhuis keurde het ontwerp goed. Toen regeerde de minister zonder wettelijk budget van 1862 tot 1866, de zoogenaamde c o n f 1 i c t-t ij d.

Een tweede kwestie, waarin Bismarck de verontwaardiging der liberalen trotseerde, was de Poolsche opstand van 1865.

Czaar Alexander II, 1855—1881, was in Rusland begonnen aan de uitwerking van een uitgebreid plan van maatschappelijke hervOTrnihgen.

Verbetering van onderwijs en rechtspraak, aanleg van spoorwegen en grootere persvrijheid, dat alles nam de keizer ter hand in de hoop den Russischen staat wit zijn toestand van achterlijkheid op te heffen. Een grootsche daad uit zijn legeering is de afschaffing der lijfeigenschap, i86r, vandaar aijn naam: Czaar-Bevrijder. De toestand der plattelandsbevolking liet van oudsher alles te wenschen over. De adel verloor nu zijn bestuurs- en persoonlijke rechten ten opzichte van den boer. Maar zeer juist begreep de regeering, dat de vrijgemaakte lijfeigene niets aan zijn vrijheid zou hebben zonder een maatschappelijk middel van bestaan, d.w.z. grond. Het grootste gedeelte van den grond was tot 1861 in het bezit geweest van den czaar en den adel. Hu werd de helft van deze domeinen ter beschikking van den boer gesteld, die -van den staat op gemakkelijke voorwaarden een ruim voorschot ontving en dus op den duur kleingrondbezitter kon worden. 23.000.000 lijfeigenen werden door dit systeem vrije kleine burgers. De goed bedoelde hervorming heeft niet geheel aan de verwachtingen beantwoord tengevolge van de knoeierijen der Russische bureaucratie en den onwil van den zelfzuchtigen adel. Dikwijls werd een te hooge afkoopsom geëischt of de beschikbaar gestelde oppervlakte land te gering gehouden, om in de behoeften van een gezin te voorzien. Een gedeelte der vroegere lijfeigenen verviel dientengevolge tot armoede.

Sluiten