Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

IV.

DE WIJZE NATHAN. >

„Voor lange jaren leefde 'n man in 't Oosten, „Die had een ring, een erfstuk zijns geslachts. „Die ring bezat de kracht, al wie hem need'rig droeg, „Voor God en mensen lieflik te doen zijn en schoon..." en zo gaat het zinrijke verhaal dan verder, dat Nathan, de wijze jood, aan kalief Saladin, de heerser over Jerusalem vertelt, als deze hem gevraagd heeft, welke van de drie godsdiensten: de joodse, de mohammedaanse of de kristelike, nu eigenlik de ware waarheid bezit. En Nathan vertelt dan verder, hoe de bezitter van de ring drie zonen had, die hem alle even lief waren, en hoe hij toen, om geen Van deze te moeten teleurstellen, in arren moede besloot, nóg twee ringen te laten maken, die in uiterlik aan de echte toverring volkomen gelijk waren, en hoe hij daarna aan ieder der drie zonen afzonderlik een der ringen gaf en zijn vaderlike zegen, en toen stierf. Het vroom bedrog kwam natuurlik spoedig uit en er kwam grote ruzie onder de drie broers, die elk de beide anderen voor bedriegers uitmaakten, en ieder voor zich er heilig van overtuigd waren, dat zij het enig ware en onfeilbare kleinood in hun bezit hadden. Ge begrijpt zeker allen, hoe het sprookje verder gaat: de drie broers gaan, zoals in sprookjes gebruikelik is, naar 'n heilig kluizenaar in het bos, en die stelt ze alle drie tevreden met de wijze raad (die, dunkt me, een gewoon sterveling ze óók wel had kunnen geven): „Twist niet langer over de echtheid van je ringen, die je op het oog af tóch niet van elkander kunt onderscheiden, maar draag ze met een nederig hart en een zuivere bedoeling, dan zal uit je gedragingen vanzelf wel blijken, of je mensewaarde werkelik strookt met de heilige toverkracht, die ieder van u aan zijn ring meent te mogen toekennen". En volgens de schrijver van het wat ouderwetse, maar geestige tooneelstuk, waarvan de titel boven deze Z. V. staat... (ik heb Ernst Possart 'n veertig jaar geleden nog voor de oude Nathan zien spelen, en ik hoor nog z'n zacht» stem, die dwars door je hele ziel-en-zaligheid héén klonk!), volgens het stuk dan, gingen de drie broers naar huis en staakten hun nutteloos getwist over ringen en over tovenarij. Maar ik beweer, dat dat echt toneelstukachtig gelogen is, en dat de broers nog altijd éven hard en éven koppig aan

21

Sluiten