Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

55

XIII. (SAMENVATTING). MENSELIEFDE EN KLASSEHAAT.

Een woord is een wonderlik instrument. Als je 't zo rustigweg opzichzelf beschouwt, zoals je-'n-'t uit een krant of uit een woordeboek hebt geknipt: paard, of koe, of olifant, dan Hikt het wel zo'n blokje uit een legbouwdoos, waar de héle kleintjes hekjes en huisjes van leggen: waardeloos speelgoed. Maar als een of andere brutale schoolarbeider van „geblinddoekte olifanten" gaat praten, is dat heel wat anders: je lacht eiom, of je wordt nijdig, of je zegt: „nou ja, hij overdrijft natuurlik, zoals altijd, maar er is toch wel iets van aan", en je denkt in ieder geval niet aan de plattegrond van Artis, waar de ezels en de apen en de olifanten netjes genummerd opstaan, zonder dat éen van de bezoekers vraagt: „motje mijn soms hebben?"

Er zijn doje woorden en levende woorden, of woordeboekwoorden en prikkelwoorden als je dat duideliker vindt, en alleen de laatste soort kun je gebruiken, als je van je evenmensen of tegenmensen wat gedaan wilt krijgen, waar 'n stootje voor nodig is.

En het wonderlike is nu juist, dat je nooit kunt weten, of zo'n woord morsdood of springlevend is, vóór je 't op z'n slaart hebt getrapt, en dan vergis je je soms nog, en houdt voor doje wetenschap, wat warm geloof is, of omgekeerd. Ik heb redevoeringen horen houden, die je op straat kon verstaan, en tóch van A tot Z zo dood waren als pierlala, maar als ik Marx over „Arbeit" hoor praten, dan zie ik z'n ogen, al bouwt hij zijn bouwsel nóg zo hoog...

„Toute toel," zegt zo'n hèel kleintje tegen de stoelepoot, waar ie z'n bolletje tegen gestoten heeft, maar als ie 'n volwassen bolsjewiek geworden is, is ie wijzer geworden en verspilt geen levende woorden meer aan doje stoelepoten. „Mot je nooit doen," hoorde ik onlangs een partijgenoot tegen een andere zeggen, toen die hem vertelde, dat hij eens 'n hoge propagandistiese boom had opgezet tegen een politieagent, bij wie hij op huisbezoek eens verzeild was geraakt: „mot je nooit doen; dat bènne eenvoudig geen mensen, dat is ongedierte. Daar praat je niet mee, dat trap je dood."

Wel, als die kameraad woedend geweest was, toen hij dat zei, en mischien pas van nabij de kennismaking met orde-

Sluiten