Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

16

Speurder: Zwijg, dar. De koningin is daar.

Tweede Dar: Nou, nou, een toontje lager kan ook wel, jou arbeidsterskind.

Speurder (heftig): Wat zeg je daar, ellendige nietsnut? Durf dat es te herhalen.

Tweede Dar (hoonend): Ben je soms géén maagdekind? Leelijke vaderlooze! Kind van een onbevruchte moeder!

(De speurder wil den dar te lijf, maar wordt door de anderen teruggetrokken).

De anderen, Speurders en Wachten: Laat dat, laat dat! Op zij, dat de koningin passeeren kan.

(De nijdige dar heeft zich hersteld en hier en daar zijn plunje rechtgestreken, en beiden rekken zich nu op de teenen om goed te kunnen zien.

De koningin is moeizaam, zwaar van vrucht, een kamer binnen gegaan, en voor de deur groepeert zich nu de stoet. Het gezang der werksters, dat tot nog toe gedempt heeft geklonken, verheft zich, luid, monotoon als een kerkelijke litanie):

Koor der Werksters:

Zoeme, koninginne, Treed de kamers binnen! Vruchtjes van het Zonnelicht. Doe uw zoete moederplicht.

(Onder dit gezang, dat door steeds meer stemmen wordt overgenomen, sluit langzaam het gordijn).

Doek.

II.

(Een dag later in de felle zon voor het hol. Achter-rechts en ter rechterzijde het onderdeel van den korf met vlieggat en een soort smal bordes. Achter-links en ter linkerzijde een paar torenhooge papavers en een oude heidestruik, een stuk van een boomstronk en een luchtworteltje, dat den geheelen linkerhoek domineert.

Sluiten