Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

OVER DE LIEFDE III.

I.

Het is Zondag. De huizen zijn dicht, in een brandende zon. Maar daarbinnen is iets. In mij, die opensta naar alle kanten, is leegte.

Na het lezen van een schets van Emmy van Lokhorst, die was als een vingerwijzing, heb ik Mien een briefje geschreven • ik moet je iets schrijven, anders zou ik stikken. Morgen (och waarom toch niet vanavond?) kom ik bij je. Ik kom alleen maar. Wellicht hebben we elkaar niets te zeggen; dan neem ik die brieven alleen maar mee, die nog in het kastje liggen."

Ik zette er een zwakheid onder, het doet er niet toe.

Toen ben ik dat briefje gaan bezorgen. Ze woont bij een volksbuurt, en de reis erheen was als een pelgrimstocht, En ik heb voor het eerst in tijden weer eens geleéfd, daar tusschen die uitdagende koppen en dat Zondagsch gekrioel. Was ik ook niet iemand met een schoone menschelijke zwakheid, en ging ik met weer eens ergens naar toe?

Later zag ik een willekeurig meisje, in een blauw japonnetje, Haar sfeer was als het beloofde land, dat ik alweer niet inging. Want ft verwierp het voor iets gewichtigere, en bezorgde ook mijn brief niet Maar repte me naar het Leesmuseum, al deze scnoone gedachten op te schrijven.

En nu ben ik weer moe, en wétend als daarstraks. Liefde is geen theorie, en mijn geluk is niet voor anderen maar voor mijzelf.

rir is een tijd geweest, dat ik mijn leven kon bekijken en bepraten zooals men soms een kunstzinnige uitstalling van eetwaren bekijkt en bewondert. Maar die dingen zijn tenslotte T te eten. En ik kan niet meer kijken en praten, van louter levenshonger.

Zoo heb ik toch nog maar mijn briefje weggebracht, laat in den Zondagavond. En ik voelde me in die gezonde, brutale

Sluiten