Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

OVER DE LIEFDE IV.

Deze keer scheen het (als ik me echter alle vorige ruzies herinner dan scheen het wel altijd zoo) alsof we te zeer van elkander waren ontsteld en te ver in onze verscheiden sferen teruggeschrokken dan dat nog aan een verzoening kon worden gedacht. We dachten er dan ook maar niet meer aan en waren stilletjes en vastberaden rampzalig, misschien met een zweempje van verre vrijheidsdroom, te ver, te onwezenlijk om de alles overgrauwende neerslachtigheid te verlichten.

De verzoening kwam tot stand door een tante, die een sfeer van conventie meebracht (al was het niet veel), die geëerbiedigd moest worden. Zoo was er dan weer eens iets te eerbiedigen. Zij, verloren in haar redeloos verzet, moest nu tóch af en toe iets zeggen: omdat de tante er was (o, wonderlijke macht van de goede vormen) en ik, neergeslagen op een divan kon niet gehèel verzinken, omdat er een derde was, die thee moest hebben, en een stoel met een kussen, en die je niet zoo maar kon laten zitten zonder iets tegen haar te zeggen. Waarom niet? We laten elkaar toch ook wel eeuwigheden wachten, en als we ruzie hebben, maakt het dan eenig verschil of de ander gemakkelijk ligt of wel in typheuse koorts? Als er ruzie is, zouden we elkaar immers laten sterven zonder bij machte te zijn uit onze houding-van-strijd te treden en den ander te helpen, die. . . steeds die gedachte op onze bewustzijnsachtergrond... toch alleen maar lijdt omdat wijzelf hem doen lijden. En nu. . . de tante moet zitten en een kop thee hebben en, hoe zwaar we ook zijn, hoe machteloos ook door de last van den ander, die op onze hersens ligt, we moeten handelen en licht zijn en spreken en ons zwaar zelf bewegen. En aldus zinken we niet weg, naar weerszij van de zonnespits onzer vereeniging, ieder in zijn grondelooze hel, maar blijven levend en elkaar nabij (o wonderlijke macht van de vormen, die machtiger büjkt dan de aanblik van eikaars ellende), en, lachend uit plichtsgevoel (plicht,

Sluiten