Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

47

plicht!, die we uit ons leven banden, alles offerend aan de oppermachtige Stemming I), lachen we ook per ongeluk tegen elkaar. En meteen smelt er iets, licht er iets op en trekt er iets weg, is er iets, dat tevoren anders was. En we verzoenen ons, maar (omdat de derde er is) ook dit beheerscht, en niet onmatig als wanneer we alleen zijn, in hartstochtelijk bestormen van de zonnetop onzer vereeniging; kalm, teeder, alsof het nu, dezen keer, langer moest duren dan een enkel uur.

En het zijn mooie dagen geweest. Dagen van een hemelsche verbazing over onze gezamenlijke rust. Speelden we die rust, of was ze werkelijkheid? Zóo hevig was blijkbaar deze rust-reactie op onze jarenlange strijdbaarheid, dat we er zenuwrillingen van kregen, die we aanvankelijk achter onzen glimlach voor elkaar verborgen. Maar tenslotte moesten we allebei op ons eentje een stukje gaan omloopen, en we deden het zonder boos te worden en elkaar de schuld van iets te geven. En zoo vreemd was dit, zoo geheel nieuw, dat ik een brandbrief schreef aan een helderziende om ons uit onze chaos te redden.

En ik liep, liep dien avond, en een van de gedachten, die me weer bezig hield was, dat het misschien toch onze geslachtelijke bedeesdheid was, die dit alles veroorzaakte, die ontkenning van het lichaam terwille van een geestelijk ideaal, waardoor kracht wordt opgegaard, dje zich, waar haar de poort der Liefde wordt ontzegd door de poort der Toorn stort. Het zal dat zijn: ik durf er niet verder over doordenken. Zij is, evenals ik, een begeerte-kind! Is onze strijd dan niets anders als een misvormde gemeenschap der zinnen?

Als ik ergens anders bevrediging vond (een bevrediging, die me altijd weer krenkt, en die mijn lichamen uiteenscheurt) kan ik soms zoo gemakkelijk rustig bij haar zijn. Maar ik wil dat niet meer. Ik heb het „overwonnen", moeizaam en als een waardig mensch (waarom eigenlijk?) zoodat nu ook die roes der vergetelheid me ontgaat. Alles drijft me nu naar haar: geestelijk en lichamelijk „geladen" kom ik tot haar, zonder te weten, zonder te gelooven, met een vage angst, dat zij het niet is, en wetend boven alles uit, dat als dit geweigerd wordt, mijn wereld zal schudden, wentelend uit haar voegen, door eigen on-ontvangen energie.

Lang voor het antwoord van den helderziende kwam was het weer mis, erger dan ooit (zoo lijkt het altijd!). Ik zou haar

Sluiten