Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

50

En ik beroer de klink van de rooden deur, en plots is het een wemeling om me van vriendelijke gezichten, Ernst, Annie in een zijen blousje, en een dienstmeisje met een vlecht en twee natuurlijke blosjes, en een timmerman, die van de trap van het atelier komt met een tafel, die gepolitoerd moet worden, een poesje, dat langs m'n beenen strijkt, Satan, de zwarte kater, Rikketik, de geit, en Manus, de haan.

En achter het huis, op de plas (waarover je arme ziel zich strekt in een lang ontbeerde hemelsche lust) ligt een bruin zeilbootje (óok al van die brutale jongen), en onder het huis, dat gedeeltelijk op palen over het water ligt, een roeiboot, zwart en plat, die geruischloos glijden kan over het willige water, dat zich altijd voor zijn steventje openplooit, wijd uitdeint en in breede cirkels zich weer te ruste legt.

Daar gaat er zoo een: het geklikklak van de plassende riemen is al te hooren, lang voor het bootje uit de biezen duikt, en je hoort hoe de roeier een liedje fluit, een weemoedig staccato, dat is als het piepend schuren van de ringen der roeispanen om de pinnen. Wie zou het zijn ? Het kan Jan Lamme zijn, of Kees Lamme, of ook wel Piet van de Neut, of een van de Wendelaars, maar het is de ouwe kruienzoeker, de klep-pet scheef op de witte haren, een blauw boezeroen om zijn heftig bewegende romp. Wij wuiven hem een groet toe, die ie teruggeeft met een stramme, knoestige hand, roepend met vreemd hooge vrouwenstem, dat de werklui zoo dalijk al een bakkie koffie bij 'em kunnen halen.

O, dat water, dat water! Het felle licht is er nu uit getrokken en de wolken komen er zich in baden, en wolken en water worden omwaasd door een rose nevel, die uitvloeit van den verren purperen zonnebol. Het water is als een klok, zegt Ernst, en het geeft een toon als je het beroert. Dat moet wel zoo zijn, en het moet hemelsch zijn, je er door te laten omvangen.

En hier in dit land waar alles mag en kan, hebben we al even snel als het verlangen onze kleeren uitgegooid, ergens in een intiem hoekje tusschen heel hooge biezen met streelende pluimen, en onze voeten tasten al over de schelpbegroeide steenen, over het zand, door waterplanten en welig wier, en het vocht beroert ons en de wijdte omzegent ons, en het wordt als een zweving, zelf-vergeten, tusschen wolken in den hemel en wolken

Sluiten