Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

60

beschreef me (meer in antwoord op mijn enthousiasme over het opgaan der massa's naar de Volksconcerten) een paar flegmatieke aristocraten, die er kwamen in hun groote grijze limousine, die zaten in hun loge grillée, en weer gingen in hun auto, en hij vroeg me, of dat niet méér „in harmonie" was dan de „opgaande" massa's"! Ik meende hem toen te moeten zeggen, dat het er van afhangt hoe je die muziek van Beethoven (en kunst in het algemeen ziet: als een uiting van hoog-opgevoerd menschelijk kunnen of als een demonstratie van het goddelijke. Tot God (en tot de vrouw, die men liefheeft) komt men klein en naakt, in het andere geval rijdt men voor in zijn limousine (en speelt het grandiose spel der wereldsche „liefde"). In het eerste geval is men zoo klein, zóo kléin, bijna Niets, in het andere geval is men zoo groot, van zóo subliem gebaar, ook bijna Alles. Het ontloopt elkaar niet veel. Zij, die wandelen op de toppen van het leven, wandelen met Hem. Van die grootheid tot de uiterste verdeemoediging is niet zoo heel ver. En de stap heeft te meer waarde, omdat daarmee een volkomen leven voor Gods aanschijn knielt. Zoo is het ( ? ? ).

Ik ga wandelen, zei Ferdo, en keek even met een pijnlijk gezicht naar zijn te kleine schoenen, die ie zooeven van een vriend had gekregen. „Mijn leven is toch rijk. Nou ga ik eens een uur over Beethoven loopen denken". *)

*) We nemen hier afscheid van Ferdo. Hij is inmiddels getrouwd en schrijft me zijn brieven (uit Parijs, Milaan, Napels) „niet meer in de pluralis „majestatis", doch veeleer „sexualis"."

Te Milaan gaf hij voor een uitgelezen gezelschap en de internationale pers, in een oud Italiaansch palazzo, een piano-concert van eigen werk. Dezer dagen exposeert bij In het Stedelijk Museum te Amsterdam een twintigtal schilderijen uit Napels.

Aan zijn vrouw, die nu zijn leven deelt, draag ik het voorafgaande in eerbied en vriendschap op. — 18 Nov. 1923.

Sluiten