Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

IN MEMORIAM.

Voor Herman d'Angremond.

Ruim een week is het alweer geleden, dat ik het bericht van zijn dood ontving, dat het leven met al zijn drukkend belangrijke kwesties voor enkele uren rondom mij verstomde, en er, rustig weg, slechts één mensch voor mij bestond, die dood was.

Toen kwam de crematie, de praal van de laatste eerbewijzen, de deputaties en de redevoeringen der deputaten, en over alles heen trachtte het leven zich te doen gelden, al was het dan ook nog maar alleen door te deelen in onze droefheid. Sedert is een week voorbijgegaan en hetzelfde leven, dat een oogenblik, schijnbaar vol mededoogen, met ons meeleed, heeft zich mededoogender en vóór alles wijzer betoond en zich, als het water, over hem gesloten.

De les, die 's levens harde wijsheid ons tracht te leeren is deze: dat wat weg is, was niet anders als de stoffelijke uitdrukking van zijn vroomheid, zijn liefde, zijn arbeidslust, zijn altruïsme, en wat daarvan bleef in onze harten, in zijn werken, is eeuwiger dan de schoone vorm, die verging.

Ons lichaam behoort aan de stof, dat wat wij méér zijn behoort aan God, maar de persoonlijkheid, die uit deze beiden op een gegeven punt in de eeuwigheid als een wonder verrees, deze Herman d'Angremond behoort aan zijn daden, aan zijn liefde, aan hen, die hij achterliet en is even eeuwig als onze dankbaarheid. Dat is wijs, maar mijn hart is zwaar van leed. En als ik, miskennend de eenige troost der vreugdevolle berusting, de alweer roerlooze plek op het watervlak wil openrijten, waar zijn beeld verzonk, dan bestormen mij de herinneringen met heel hun nasleep van twijfel en opstandigheid, en ik ben onrustig als een mensch.

Sluiten