Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

86

kerkeraad zelf, maar omdat dat zeker te lang zou duren, en hier spoedig raad moest worden geschaft, haalde hij de eenige levende ziel, die in de nabijheid was, om als hulp en getuige te dienen. Maar toen hij, in gezelschap van de ouwe, stok-doove stovezetster uit de sacristie terug kwam. stond de vreemde rechtop in zijn bank, met zijn hand wijzend in de richting van de beelden:

Hoort! zei ie verheerlijkt, hoort, ze spelen nog!

Toen wist de koster, dat ie met een gek te doen had, éen, die door den geest van de legende was bezeten, en dat ie zachtzinniger op moest treden.

Hij is niet wel, zei ie tot de stoovezetster.

Maar die wees op haar ooren, dat ze hem niet verstond.

Meneer is ziek, zei ie toen veel harder.

Muziek?, o ja, ja, ben je d'r nou óók achter? ze spelen alle jaren. Zoo oud ik ben, heb ik ze met Kerstmis gehoord. Wèt zeg je?

Maar de koster had niets gezegt. Hij was al weg, en luidde verwoed de klokken.

Bim, bam, bim, bam, luidden de klokken.

En de oude doove vrouw en de jonge dwaas waren alleen te het schip, waar bij het wuivende licht van de twee gouden vlammen nog steeds speelden de vier steenen muzikanten voor al wie het maar hooren kon, toen, eeuwen hierna, precies als te het jaar onzes Heeren negentienhonderd een en twintig.

Sluiten