Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

88

binnengaan. Het is wel jammer. Maar toch, wat zijn me op dit oogenblik mijn wieken ? Zwaar hangen ze langs mijn eenzaamheid die ze dreigen omlaag te trekken in de donkere regionen der wijde wijde wereld, waar geen nesten zijn. Nesten zijn op de bergen : kleine nestjes voor kleine menschjes, moe van reizen en willig hun vleugels af te binden voor het kleine poortje der goddelijke vernietiging, als een offer voor wie daar binnen wacht, altijd maar wacht, zwijgend en zoo weinig hulpvaardig: saamtrekkend al haar kracht binnen den magnetischen cirkel van haar trouwe wachten.

We zijn als kinderen tegenover elkaar.

Ik voel me als het kind, dat met zijn Vader wandelt op een gevaarlijken heirweg. De Vader is bezorgd en liefdevol. En omdat Hij aldus is, hol ik telkens vooruit, wég uit de sfeer der vaderlijke beschutting, naar daar waar ik zelfstandig zal zijn in de dreiging der gevaren. Is het zoo prettig zelfstandig te zijn? Is het zoo prettig temidden van de gevaren te gaan? Misschien is dat alles ook aangenaam op zich zelf. Maar voor ons, kinderen, is het vooral prettig als verzet tegen de vaderlijke liefde. De band tusschen ons en den Vader is zoo waarachtig, dat we op zijn zorg en liefde alleen kunnen antwoorden met tergende onverschilligheid (die onze vreugde en ons leven is): opdat zijn liefde nog grooter zij.

En zoo gaan we nu weer verder. Zij lacht, ik ween. Ik ween, zij lacht. Ik spreek haar van heilige dingen, van schoonheid, van muziek, en voer haar de menschen tegemoet, die in de bewondering voor dat alles mijn vrienden zijn. En ik doe dat met een enthousiasme wortelend in mijn verzet tegen haar. En zoo druk ik haar neer, wég van dat alles. En elke heiligheid, die ik haar juichend voorleg, moet door haar, schreiend, met schennis beantwoord. En elke witte vriend, dien ik haar ostentatief tegemoet voer, maakt haar zwarter: naar het uiterlijk. Zoo ben ik wit ten haren koste, en blij ten haren koste. Zoo bén ik, positief, ten haren koste.

Laat ik dus niets zijn, als ik haar in waarheid liefheb. En dat kan ik niet.

Zoo ziet U wel, dat liefhebben tot het einde strijden is.

Sluiten