Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

OVER DE LIEFDE XI.

Als een holbewoner heb ik van alles naar het nest gesleept e cakes en sneeuwpoppen en Weihnachtsstollen. plum. puddings en Kerstmannetjes. En in het ongekend geluk van dat vergaren (ongekend omdat ik altijd meende, dat je het in andere dingen moest zoeken) heb ik steeds in mezelf herhaald wat ik erbij zeggen zou als ik het op je bedje legde: dat is nou een stukje van de Kerstvreugde in de stad, waarnaar je zoo verlangde en die je dit jaar niet zelf kunt meemaken. Kijk eens, wat ik allemaal heb meegebracht....

Waarom zei je niet, toen ik overal kaarsjes plantte en roode linten strengelde en kerstklokken hing, roomboter in het schaaltje deed en een kerstbrood op je tafel legde, waarom zei je toen niet (het eenige waarom mijn juichend hart vroeg): je bent een toovenaar .... mijn liefste....

O, ik moet er niet aan denken wat je nog méér had kunnen doen, wat héél gewoon zou zijn geweest als je het gedaan hadt:

je armpjes geslagen om mijn hals, zonder vragen, zonderdenken

Maar dat doe jij niet Dat kun je niet Omdat je groote

kracht niet liefde is, en ook, misschien, omdat men zooiets niet doet als er zoo hartstochtelijk om wordt gevraagd.

Is dat altijd zoo ? Of is dat alleen zoo bij jou: zóó' zuiver en zóó wreed ?

Conventie, cultuur, en hoe die veelgesmade dingen méér heeten, had je immers doen danken en glimlachen, ook al hadden we een beetje ruzie, en al was het laatste gesprek niet „absoluut", en van hart tot hart. En dan zou die „conventioneele" glimlach (zóo onbewust conventioneel, dat hier de conventie als een tweede natuur is) immers ongemerkt in een echte gulle lach van blijdschap en liefde zijn overgegaan. En je zou in mijn armen hebben gelegen voor je het wist.

God, mijn God, is dat het dus waarop ik wacht ?

In plaats van dit alles heb je (zóo zuiver en zóó „eerlijk",

Sluiten