Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

EEN AMSTERDAMMER „TER CONFERENTIE".

Zomer 1922.

Vluchtige indrukken van confereerend den Haag. Aankomst tegen den avond. Alsnog vóór het diner even naar het Carnegieplein om in de stemming te komen. „ Vredesplijs", roept de conducteur.

Keurige, blauw-en-zilveren politie-agenten te paard en te voet. Een laatste gÜmmende limousine met de Union Jack, afzwenkend langs de breede oprij, langs de zacht-rose geranium-banden.

Ter zijde, met hun gids, een troepje gehoorn-brilde Yankees.

Voor dien avond: diner in het nieuwe Chineesche restaurant. Typisch „echt" doet hier het geheel leege kamer-vierkant naast de eetzaal. Geen tafel in het midden, alleen een bureautje met stoel tegen één der wanden. Verder: ruimte, en een groot groen tapijt. De bedienden, gebogen, knokige Chineesjes, zijn geen „export", geen Nederlandsch-Indische baba's, maar heel echte Zonen des Hemels, die alléén Chineesch verstaan en een snipperig beetje Fransch. Het troepje Haagsche dames, dat thee kwam drinken en vooruit diverse hoogst correcte speeches in het Engelsch en Maleisen had gereed gemaakt, werd dus onbarmhartig teleurgesteld.

Ik zelf bestelde uit het lijvig Chineesche boekdeel, dat hier de spijskaart is, door een enkel gebaar en oogentaai,

Een van de teleurgestelde dames-met-Engelsche-kostschoolopleiding, die zich absoluut niet verstaanbaar konden maken en den Hemeling ergerden door hun goed bedoeld maar niet al te kiesch gelach, vroeg me toen: Spreekt u soms Chineesch met dien man?

Wie weet, misschien sprak ik wel Chineesch.

In ieder geval is voor het bestellen van de overheerlijke bami hier, de zachte eendenbout (écht Chineesch hoort men terzelfdertijd de nog levende eendjes in den tuin onder luid misbaar slachten) geen taalkennis noodig. Alleen maar wat takt en diplomatie.

Sluiten