Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

UIT DE HOOFDSTAD.

I.

Zóóveel leed is er op deze wereld! Een blind jongetje van een jaar of drie komt in de tram. aan de hand van zijn tante. Het huilt om zijn moeder, die buitenop moet blijven staan. Het draagt een keurig jasje, een matrozen-pakje zonder één enkele vlek of scheur, en zijn handjes zijn wit en schoon. Want hij speelt' niet als andere kinderen en maakt zijn handjes en zijn kleeren dus niet vuil, en zijn moeder tracht blijkbaar in zorg voor zijn uiterlijk te vergoeden, wat hij voor de rest tekort komt. Het kind heeft zenuw-trekkinkjes van spanning en onbevredigde aandacht en een oud, sereen snuitje, dat luistert. Luistert met doode oogen. Af en toe zegt het: „nu staat de tram stil", en dan weer: „nu rijdt de tram", of wel, terwijl zijn handjes even de gladgepolijste bank bevoelen: „wat een mooie tram is het, hè moes?"

Iedereen in de wagen kijkt alléén naar dit kind en denkt aan iets van de eeuwigheid, aan iets griezeligs, aan iets dreigends, aan iets ontzaglijks, dat ver boven de sleur van den dag uitgaat. Maar wat zij allen voelen, dat voelt de moeder niet meer. Het kind is een jaar of drie. En drie jaren zijn voldoende om zelfs aan de meest tragische lotsbeschikking te wennen. En ook als ze veinst, dan nog lijkt me haar luchtige houding de beste.

Even later zit ik bijna alleen in een leege tram-wagen met een huilend meisje. Ze schaamt zich voor „de menschen", maar haar verdriet is zóó groot, dat ze toch huilen moet, een heele groote zakdoek nat, die ze nerveus in haar vieze handjes verfrommelt tot een bal.

Je geneert je dan wel even: of de conducteur niet zou kijken... of de menschen .... Maar als je eenmaal zit naast het kind, kijkt er géén, expres niet, en iedereen is blij, dat één onder hen het heeft gedaan.

Haar vader ligt in het gasthuis en nu moet ze haar moeder gaan halen omdat vader ineens zoo erg is....

Sluiten