Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

172

had : géén beursverslag, géén beleefde aanbieding, noch ietswat eenige houvast biedt of zelfs maar behoorlijk maatschappelijk is thuis te brengen, doch slechts een mythologisch stoutigheidje, zoo'n echte afdwaling des geestes, ontleend aan de legende van Circe... . U weet wel, die alle mannen, die haar een bezoek vereerden in zwijnen veranderde.

Daar is nu niets in. Het is zelfs waar, levens-waar, want hoeveel mannen worden er niet door diverse Circes in zwijnen veranderd ? Men kan het dus gerust neerschrijven, mits men er zich voor hoede, dat het onder de blauwe oogen komt van dezulken, wier onschuld er door wordt ondermijnd.

Het noodlot wilde echter, dat ik gedachteloos met mijn Circe een copiëer-inrichting binnen stapte en dat deze copiëer-inrichting precies die van de eerzame drie was.

Ze zaten juist prettig aan het Beurs-verslag, midden in de olie (Standaard en Bataafsche), en bespraken de laatste film in Rembrandt: „Wat mannen begeeren".

Toen kwam ik met mijn Circe en bracht de boel op stelten. Om het U kort te vertellen: toen het pienterste juffertje in tien minuten drie regels van mijn geschriften had uitgetikt, drie maal voor Philippos, Hilippos, en twee keer voor Lacedemonië een ander gedrocht, ontleend aan de effecten-terminologie, had gezet, was haar trots en zelfvertrouwen reeds gebroken en verzocht ze me maar liever te dicteeren.

Ik heb haar gedicteerd. En, langzaam vóórspellend, voor een ademloos auditorium van drie verslagen typistetjes, mijn toch zoo hoogst-fatsoenlijk geschrijf, heb ik me verbaasd en geschaamd, dat ik zulke on-nette dingen had kunnen neer-zetten. Toen ik bij de passage was gekomen, waar Philippos zich het lichaam betast om te constateeren, dat hij nog geen zwijn is en er van een krullend staartje aan zijn body nog geen spoor is te bekennen, steeg de benauwde stilte in het office, waarin mijn stem al mijn mythologische onbehoorlijkheden als voor de hoogste rechterstoel der onschuld had te beleiden, tot hoogspanning.

In de laatste alinea kon de jonge dame het woordje „aan" zelfs niet meer zonder fouten tikken.

Ik heb me geschaamd en mijn schuld, zoo goed en zoo kwaad als het ging, in bonbons beleden.

Amsterdam — den Haag, Lente 1923.

Sluiten