Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

179

De vr.: Ik heb je lief.... Ik heb je mond lief.... en je oogen .... en je handen .... Leg je hand eens op mijn wang.... zóó .... vaster .... (Ze leggen zich naast elkaar onder een magnolia).

De m.: Is het zoo vast genoeg ? Moet ik je zóó altijd vasthouden ? Moet ik je zoo altijd koesteren, mijn lieveling .... Ik alléén ?

De vr.: Ja, jij alleen .... Maar hou me nu vast.... je hand gaat weg....

De m.: Mijn hand gaat weg ? O nee, mijn hand gaat nooit weg, nooit weg van jouw lieve, lieve hoofd .... Lig je zoo goed, mijn schat.... Zullen we zoo samen slapen ? .... Ik ben zoo moe .... zoo moe van willen, zoo moe van verlangen.... Lig je zoo heerlijk? Zooals je alléén bij mij kunt liggen?

De vr.: Stil.... spreek nu niet....

De m.: Nee, schat.... Ik spreek niet.... Ik ben nu alléén moe.... en het is zóó zalig, zóó goed .... (Ze liggen zwijgend en stil).

De g. f.: (over een slip van zijn mantel) Waaraan denk je? De m.: (zacht): Waaraan denk je nu ? De vr.: Ik ?. ... Ik dénk niet.

De m.: Denk je niet ? Denk je dan niet aan mij ? Natuurlijk denk je .... Mijn gedachten zijn vol van jou .... Waaraan zou je denken als het niet aan mij was....

De vr.: Wil je je jas onder ons leggen ? Het is je beste pak en je maakt het zoo vuil óp die manier....

De m.: Goed, schat.... Wat ben je lief.... Altijd, altijd vol zorg voor mij....

(Hij spreidt de jas onder hen uit en ze nestelen zich weer).

De g. f. (over zijn mantelslip): Waarom ....

De m.: Waarom ben je zoo lang weggebleven? Je zegt, dat je mij lief hebt, mij alléén.... Ik begrijp niet hoe je iemand lief kunt hebben en hem zóóveel verdriet aandoen.

De vr.: Het is jouw schuld....

De m.: Mijn schuld? Maar denk er nu toch eens over na.... bekijk het nu eens als een kleine, wijze heveling, die je immers bent.... Was jij het niet ? ....

De g. f.: Overigens komt het er weinig op aan. Wat leed méér of minder. Het gaat er maar om de waarde van het leed te kennen. Het leed is een wonderschoone bloem.

Sluiten